|
| Het Lankheet (2): Het huidige landgoedHet Lankheet ligt tussen twee beekdalen met een centrale rug als waterscheiding. Karakteristiek voor dit landgoed zijn de uitgestrekte bossen met verspreid gelegen heidevelden. In het noordoostelijke deel ligt nog het oude hoevenlandschap met essen, houtwallen en hakhoutbosjes. In de houtwallen komen, afhankelijk van de bodemvruchtbaarheid, veel wilde planten voor. in het zuiden ligt het heide-ontginningsiandschap met graslanden, singels en poelen. Uitgestrekte oude dennenbossen (met soms 150 tot 200 jaar oude bomen) vormen het hart van Het Lankheet. De grove den is echt typerend voor Het Lankheet. Vooral op leeftijd is de grove den een prachtige boom. De boom is dan mooi geschubd en krijgt een rode gloed. Het landgoed kent meerdere soorten bossen. Om een beeld te krijgen van de verschillende terreintypen op Het Lankheet volgt hieronder een globale oppervlakteverdeling: naaldbos (260 hectare), loofbos (60 hectare), cultuurgronden (60 hectare en heide en vennen (60 hectare). Op de grotendeels voedselarme gronden van Het Lankheet komen oude grove dennenbossen voor. Deze zijn aangeplant op de voorheen uitgestrekte heidevelden. Er staan bomen van meer dan 150 jaar oud, wat voor Nederlandse begrippen zeer bijzonder is. Deze oude Grove dennenbossen behoren dan ook tot de mooiste van geheel Twente. Van nature zou op voedselarme grond een berkenzomereikenbos ontstaan, die we op een aantal plekken inderdaad kunnen aantreffen. In het noorden langs de Buurserbeek, waar de gronden leemhoudend zijn, komt het wintereiken-beukenbos voor. Dit bos is qua onderbegroeiing veel rijker. De volgende plantensoorten zijn hier aan te treffen: adelaarsvaren, mannetjesvaren, schaduwgras, bosgierstgras, gewone salomonszegel en witte klaverzuring. Vooral de adelaarsvaren vormt op sommige plaatsen hele velden. In het zuidoostelijk deel ligt een verrassend gebied met stuifzandduinen, genaamd 'de Buiten'. Deze waren het gevolg van overmatige beweiding. Bewoning op Het LankheetOp Het Lankheet bevinden zich tien woningen. Het Noorse Jachthuis, de boerderijen Groot Lankheet (de Pingel), Klein Lankheet (Groot Obbink) en de Koortskotte zijn rijksmonumenten. De Appelhof is een gemeentelijk monument. Nabij de Veddersbrug ligt erve Koortskotte. Dit oude boerderijtje is bij een stadsuitbreiding van Enschede door G.J. van Heek ir., gekocht en overgebracht naar het landgoed, alwaar het steen voor steen opnieuw opgebouwd werd. Dichterbij de brug ligt erve Kleine Vedder, dat tot 1974 een agrarische bedrijfsvoering had. In het centrum van het landgoed, aan de Assinkweg, ligt erve De Oppasser. Eveneens aan deze weg ligt het Behouden Huis. Op het Gelderse deel van Het Lankheet, in een kleine landbouwenclave, ligt nog erve Hoones. Dit is een kleine romantische boerderij met een oude notenboom en een meidoornhaag. Tenslotte is er nog een huis met de naam 'de Ossekoele' aan de Rekkenseweg. Het huis met grond grenst aan een perceel dat vroeger met behulp van ossen in cultuur is gebracht. Vandaar de naam 'Ossekoele'. Van de verschillende boerderijen is nu alleen erve Klein Lankheet of Groot Obbink nog als landbouwbedrijf in gebruik. Het is een intensieve melkveehouderij met ongeveer 60 hectare cultuurgrond. De boerderij heeft een woonhuisgedeeite in oorspronkelijke Twentse stijl. Dat wil zeggen dat het huis een voorgevel met donkerhouten betimmering in de gevel heeft. Andere traditionele kenmerken zijn een witte daklijst, een pannen zadeldak waar halverwege een knik in zit en vensters met roedenverdeling en luiken. Een opvallend detail is het bovenlicht met stervormige roeden bij de voordeur. Aan de rechter kant is een stenen schuur aangebouwd met een zogenaamd wolfsdak. Dit is een zadeldak met bovenaan de voor- en achtergevel nog een afgeschuind stuk pannendak. Hierdoor heeft het dak vier vlakken tegenover de twee vlakken van het woongedeelte. Boerderij de 'Appelhof'De boerderij aan de Appelhofweg is nog de enige met een hoogstamboomgaard. Er wordt hard gewerkt aan het onderhoud van de oude bomen en aan de aanplant van nieuwe bomen. Achter de boomgaard ligt een mooi prieel met een oude beukenhaag. De Appelhof was vroeger beter bekend onder de naam Steen- en Panoven van J.A. Dievelaar in het Krakeelsveld. In deze omgeving bevat de bodem op geringe diepte namelijk lagen vette klei die zeer geschikt is voor het vervaardigen van dakpannen. De meer zandige ge klei, die hier ook aanwezig is, kon men gebruiken voor het bakken van stenen. In het midden van de vorige eeuw kende dit gebied een drietal steen- en pannenbakkerijen: Van Wantia, Jordaan en Dievelaar. Genoemde Dievelaar, winkelier te Haaksbergen, heeft in 1869 de betreffende opstallen gekocht van ene Bennink uit Eibergen. Het ging om een pannenbakkerij met droogloodsen en kleigaten; een complex van zes bunder, 44 roeden en 30 ellen dat hij kocht voor fl 1025,00. In 1872 liet Dievelaar een woning bij het bedrijf bouwen met daarin een vertrek, dat als kantoor dienst deed. Men plaatste een bel op het dak die aan het begin en aan het einde van de werk- en schafttijd werd geluid. Het werd een bloeiend bedrijf dat stenen van goede kwaliteit leverde. Verschillende boerderijen in Haaksbergen en omgeving zijn gebouwd van stenen van Dievelaar. Ook werden 66.000 stenen geleverd voor de restauratie van de Pancratiuskerk in 1887-1888. De kleiputten die overbleven na het afgraven van de klei zijn nog terug te vinden in het bos. Ze zijn te herkennen als langwerpig uitgegraven gaten. Later zou de Appelhof aan het landgoed worden toegevoegd. De PingelGroot Lankheet heeft als bijnaam 'De Pingel'. Volgens het verhaal is deze naam ontleend aan het klokje aan de bovenkamer. Het erf dat we thans Groot Lankheet noemen heeft al een lange geschiedenis. Het was oorspronkelijk eigendom van de heren van Ahaus en werd omstreeks 1325 geërfd door Solms-Ottenstein. Vanaf 1430 was het erf in bezit van de heren van Mallem. Onder de naam Ischaeten wordt het in 1418 genoemd in een akte van overdracht. Dat het hier om Het Lankheet gaat blijkt uit het ieenregister van Borculo, waar in 1683 wordt vermeld: "Lanckhete, in de oude beleningen genoemd lschaeten..." Erve Lankheet werd na 1700 gesplitst in Oud of Groot Lankheet en Nieuw of Klein Lankheet. Beide boerderijen liggen tegenover elkaar en worden door de Lankheetsweg gescheiden. De oudst bekende bewoner van Groot Lankheet is Hendrik Lankheet. Hij wordt in 1590 genoemd als bouwman van het goed. Tot 1810 wordt de boerderij bewoond door een Lankheet. Dan verhuist de toenmalige pachter, Christiaan Lankheet, naar Nieuw Lankheet en wordt Jan Oostink de nieuwe pachter. Vanaf 1840 wordt de boerderij beheerd door Johannes Borghuis, alias "Pingel"; een bijnaam die ook zijn nazaten dragen. In 1881 komt Jan Gerrit Scheggetman als pachter. Zijn dochter Harmina trouwt in 1898 met Gerrit Jan Denneboom. Hun zoon, Hendrik, blijft tot 1963 op de boerderij. Tot 1971 wordt het erf tenslotte aan Gerrit ter Horst verpacht. Hij zal de laatste boer zijn uit het ritje. De landbouwgrond wordt dan namelijk verpacht aan boer Groot Obbink van het Klein Lankheet. De boerderij Groot Lankheet heeft sindsdien een woonbestemming Uit bouwkundig onderzoek blijkt dat Groot Lankheet zo tussen 1750 en 1800 gebouwd moet zijn. In de voorgevel zit een verspringing die van ongeveer 1900 dateert. Ook de aangebouwde stal is van later datum. De jachtkamer, gebouwd als endskamer, tenslotte is van vlak voor de oorlog. De boerderij is een authentieke vakwerkboerderij met handgevormde bakstenen tussen het houten geraamte. Het zadeldak heeft rode dakpannen en de voorgevel is, zoals zoveel oude Twentse boerderijen, van boven betimmerd met hout. In die gevel zijn de oorspronkelijke niendeuren vervangen door grote vensters met roedenverdeling. Verdwenen erf AverbrookIn Ottenstein, net over de Duitse grens, stond tot in 1408 een sterke burcht waar Hendrik 11 van Soims zetelde. Deze Hendrik was een beruchte roofridder die regelmatig plundertochten ondernam in het Stift Munster. De bisschop, Otto van Munster, was dat een doorn in het oog en deze begon daarom in 1401 met het beleg van de burcht Ottenstein. Pas na zeven jaar wist hij Hendrik tot overgave te dwingen. Er werd bepaald dat de vrouwen vrijgeleide kregen en daarbij mee mochten nemen wat ze dragen konden. Zo gebeurde het dat Agnes, de dochter van Hendrik, haar vader op haar rug over de brug droeg. De bisschop hield zich aan zijn woord en zo wist Hendrik te ontkomen. Agnes van Solms huwde in 1418 Otto van Bronckhorst, Heer van Borculo. Vader Hendrik gaf het echtpaar 238 goederen in leen. Hieronder bevonden zich onder andere drie erven om en nabij het huidige Lankheet: Ischaten (=Groot Lankheet), Assink en Averbrook (of Averbroick). in 1430 werd Mattheus van Schoneveld, een zwager van Otto van Bronckhorst, beleend met deze erven. Lankheet en Assink bestaan nog steeds, maar Averbrook is tegen het einde van de zestiende eeuw spoorloos uit de registers verdwenen. Volgens overlevering werd de boerderij gebrandschat door Münsterse troepen en werd het sindsdien regelmatig opgetekend als het 'verbrande brook'. Op ongeveer een halve kilometer ten zuiden Van Groot en Klein Lankheet ligt een langgerekte es, genaamd het Hoge Brook. De oprit bevindt zich aan de Oude Eibergseweg, recht tegenover het begin van een laan, waar eerder de stenen poort stond met het opschrift: 'Lank Heet 1895'. Volgens de overlevering wordt het bosgebied achter de stenen poort het Verbrande brook Uit bodemboringen bleek de es een humuslaag van ongeveer 120 centimeter dikte te hebben. Omdat uit onderzoek is gebleken dat de humuslaag door plaggenbemesting ongeveer een centimeter per tien jaar dikker wordt, kunnen we aannemen dat de akker al meer dan 1000 jaar in gebruik is geweest. Ook hier zou het erf Averbrook gestaan kunnen hebben. Voorlopig blijft de huisplaats van erf Averbrook één van de geheimen van Het Lankheet. Misschien wel voor altijd. Bentheimer zandsteenputtenOp verschillende erven op Het Lankheet staan oude waterputten van Bentheimer zandsteen, zoals bij de 'Oppasser' vanaf de weg goed te zien is. Voor het drink- en waswater was men vroeger geheel afhankelijk van deze waterputten. Omdat men vaak vele malen per dag naar de put moest lopen, bevond deze zich altijd vlakbij de boerderij, veelal in de buurt van de woonkeuken. De eerste waterputten bestonden slechts uit een gegraven gat in de grond dat bovengronds met planken of vlechtwerk was versterkt. Vanaf de achttiende eeuw ging men er in Twente toe over de bovenkant van de put van Bentheimer zandsteen te bouwen. De zware stukken natuursteen werden met ijzeren krammen bijeen gehouden. Door het eeuwenlange gebruik van de putten vertonen de randen vaak prachtige slijtagevormen. De slijtage werd niet alleen veroorzaakt door de emmer die op de stenen stootte, maar ook door de gewoonte om messen en gereedschappen op de putrand te slijpen. Het bouwen van de waterput was een klus die met vele sterke handen werd geklaard. Allereerst moest een plek gevonden worden waar water was. Dit was het werk van de wichelroedeloper. Met behulp van een vorkvormige hazelaar- of wilgentak wist deze persoon een waterader op te sporen. Was dit gelukt, dan kon men gaan graven. Begonnen werd met een gat van zo'n vier meter doorsnee tot net boven de watervoerende laag, die meestal op ongeveer twee meter diepte lag. Op dit punt aangekomen, legde men een ring van beuken- of populierenhout op de bodem. Deze ring had een omtrek van ongeveer 80 cm, net als de toekomstige put. Op de ring werd een eerste laag stenen los op elkaar gestapeld, zodat door de kieren het water in de put kon stromen. Vervolgens werden er tien lagen stenen op elkaar gemetseld. Vanuit het midden van de ring werd daarna gelijkmatig grond weg gegraven, waardoor deze in z'n geheel naar beneden zakte. Daarna metselde men weer tien lagen stenen en begon men opnieuw te graven. Dit graafwerk luisterde erg nauw omdat men natuurlijk geen scheve put wenste. Wanneer de tweede laag gezakt was, zat de ring intussen op zo'n drie meter diepte en dit was in het algemeen diep genoeg. De putrand werd verder opgehoogd tot zo'n negentig centimeter boven het maaiveld. Het gat rond de put werd met de uitgegraven grond dichtgegooid en als laatste stortte men een laag grind in de put. Je kunt de emmer met een touw in de put gooien en deze er vervolgens weer uittrekken. Meestal werd er echter een hefboom bij de put gebouwd. Deze bestond uit een paai met V-vormige vertakking bovenaan, waarin de hefboom, die haal werd genoemd, kwam te liggen. Wanneer de haal goed in balans was, kon je zonder veel moeite een volle emmer ophalen. HUIDIGE FUNCTIES BosbeheerIn 1995 is op Het Lankheet een proef gestart met een andersoortige, extensieve vorm van bosbeheer. Van belang hierbij is dat aan een bos tegenwoordig niet alleen meer economische, maar ook natuur- en maatschappelijke functies worden toegekend. Zo is het bos er ook voor de wandelaar, jogger, ruiter en vogelaar, kortom voor de recreant. Omdat in het huidige bosbeheer verschillende functies geïntegreerd worden, spreekt men ook wel over geïntegreerd bosbeheer. Het bos wordt veel afwisselender en dit is dan tevens interessant voor de recreant. In tegenstelling tot het verleden wordt er nu bijvoorbeeld veel kleinschaliger ingegrepen. Er is geen sprake meer van kaalslag maar van selectieve kap. Dit wil zeggen dat verspreid over oppervlakte en tijd op verschillende plekken in het bos gekapt wordt. Er zullen dan lichtplekken ontstaan waar afhankelijk van de rijkdom van de bodem en de kruidenvegetatie de in de grond aanwezige zaden van de bomen spontaan zullen ontkiemen. Men gaat dus niet over tot nieuwe aanplant, maar laat de natuur zijn gang gaan. Om te voorkomen dat het wild de jonge aanwas opeet, worden op sommige plaatsen de open plekken afgerasterd. Hoe gevarieerder een bos is in houtsoorten en leeftijdsopbouw, hoe gemakkelijker het verjongingsproces zich zal voltrekken. NatuurbeheerZoals uit de nieuwe vorm van bosbeheer al blijkt, heeft de natuur een belangrijke plaats in het beheer van Het Lankheet. Er is een natuurontwikkelingsplan waarin aandacht wordt besteed aan de stuifzanden met jeneverbessen, monumentale bossen, (grens)wallen, heideterreinen, vennen, het herstellen van oude beeklopen en het conserveren van kwetsbare moerassen. In het plan krijgt de fauna veel aandacht. Er is in dit verband bijvoorbeeld veel aandacht voor een meer dan honderd jaar oude dassenburcht. Kortom, alle aspecten van beheer op het gebied van bosbouw, natuur, waterhuishouding, landbouw en recreatie komen aan de orde. Toekomstige werkzaamheden in bos en natuur kunnen aan dit plan worden getoetst. Het Lankheet kent enkele broekbossen waar in de winter het waterpeil boven het maaiveld staat en waar 's zomers het grond water vaak niet dieper dan 60 cm wegzakt. Ze zijn daarom erg gevoelig voor verdroging. In de broekbossen komt voornamelijk zwarte els voor en verder Gelderse roos, Aalbes, Zwarte bes, Elzenzegge, IJle zegge en Groot heksenkruid. Broekbossen werden in het verleden veelal gebruikt voor hakhout en ze werden daarom periodiek afgezet. Vlakbij de Mallemse Meertjes ligt een elzen-berkenbroekbos, waarin naast Zwarte els ook veel berken staan. Omdat het om voedselarme, zure grond gaat komt hier veel veenmos voor. Om deze bijzondere bossen te behouden, wordt de nodige aandacht aan het waterbeheer besteed. Het Lankheet kent een aantal karakteristieke droge en vochtige heidevelden. Dit zijn restanten van het uitgestrekte heide-areaal zoals dat vroeger voorkwam in dit deel van Twente. Een probleem voor heidevelden vormt de vergrassing als gevolg van verhoogde stikstofconcentraties in de lucht. Daardoor vinden we in de droge heiden veel bochtige smele. In de vochtige heiden treffen we vaak het pijpestrootje aan. Op Het Lankheet wordt de vergrassing van de heide tegengegaan door de inzet van Franse bergpaarden, de Merens. Deze gitzwarte paarden kunnen zomer en winter buiten leven. Wanneer in de zomer de vochtige dopheidevelden met de vele kruiden als beenbreek, veenbies, veenpluis, eenarig wollegras, wilde gagel en de zeldzame klokjesgentiaan begaanbaar zijn, grazen ze daar. In de winter zijn de drogere struikheidevelden aan de beurt. Hier groeien verder pilzegge, tormentil, kruipbrern en stekelbrem. De heidevelden zijn overigens niet ontsloten door paden, omdat ze te gevoelig zijn voor verstoring. In of aan de randen van de heidevelden ligt een aantal vennen waarvan sommige het gehele jaar door waterhoudend zijn. De overige vennen hebben alleen in e winter, in het voorjaar en na hevige regenval water in hun natuurlijke laagten. Dat het water langere tijd kan blijven staan heeft te maken met de ondoordringbare leemlaag in de ondergrond. Veenmos is de meest voorkomende pantensoort in deze vennen. Darnaast groeit er veenpluis, zwarte zegge en knol rus. Lees hier verder over het Lankheet. (Bron: Landgoed Het Lankheet, een uitgave van Vereniging Overijssels Particulier Grondbezit Dalfsen, 1999 en is verkrijgbaar bij de VVV Haaksbergen) |
|
|