|
| Het Lankheet (1): De geschiedenis
Naast het Lankheetbos bepaalden oorspronkelijk nog twee andere bossen het aangezicht van de zandrug: het Assinkbos en het Honeschbos. Het landschap bestond in het verleden uit golvende heidevelden en de lager gelegen veenmoerassen. Voor de vorming van het landschap hebben verschillende ijstijden hun invloed gehad en later heeft de mens dit proces voortgezet. Eeuwenlange bewerking van het land gaf het Twentse landschap de vorm die het tot ongeveer 1850 heeft behouden. De periode 1850-1940 is een tijd van grote veranderingen geweest. Er was de opkomst van de industrie en nieuwe technieken en voorzieningen deden hun intrede. Door de aanleg van wegen, waterwegen, spoorlijnen, de groei van steden en dorpen en de opkomst van de textielindustrie veranderde het aanzien van Twente aanzienlijk. De familie Van Heek en dan met name Gerrit Jan van Heek sr. heeft sterk bijgedragen aan de ontwikkeling van de textielindustrie. Doordat deze industrie zo'n hoge vlucht nam, werd het mogelijk om overtollige winsten in grond te beleggen. Gronden, al dan niet met opstallen, werden aangekocht, waaronder Het Lankheet. Onder invloed van verschillende generaties veranderden de gronden sterk van aanzien. De ondergrondDe vorming van de bodem van Het Lankheet begon zo'n 2,5 miljoen jaar geleden. In de verschillende ijstijden voerde het landijs allerlei materialen als zand, grind en zwerfkeien (grondmorene) met zich mee. Zo verwerd het centrale deel van Het Lankheet tot een afgevlakte heuvelrug die nauwelijks opvalt in het landschap. De hoogte van de rug is in het westen zo'n 22,5 meter en loopt naar het oosten op tot 30 meter. Ook werd bijna overal keileem afgezet. Dit is door het ijs vermalen materiaal, bestaande uit onder andere grind en keien. Deze grondsoort, die op Het Lankheet op wisselende diepten voorkomt, is vanwege de geringe doorlaatbaarheid nog steeds van grote invloed op de grondwaterhuishouding. Wanneer in tijden van veel regen het water door het keileem in de ondergrond niet weg kan zakken, krijg je drassige gronden, broekbossen, of zelfs vennetjes. Een voorbeeld van vennetjes zijn de zogenaamde Mallemse meertjes ten oosten van erve Hoones. Ongeveer 10.000 jaar geleden begon een warmere periode, die tot op heden voortduurt. In deze periode vond veenvorming plaats in gebieden waar als gevolg van het keileem in de ondergrond, de waterafvoer stagneerde. Op sommige plaatsen liggen nu nog veenachtige laagten. Verder traden door het warmere klimaat de beken regelmatig buiten hun oevers, waardoor meegevoerd materiaal afgezet werd. Vlak langs het stroomgebied was dit het zwaardere grofzandige materiaal en verder van de stroom verwijderd het lichte kleiachtige materiaal. Op Het Lankheet ligt verder op meerdere plaatsen zeeklei vlak onder de oppervlakte. Deze is hier tientallen miljoenen jaren geleden afgezet, toen dit gedeelte van het continent nog grotendeels uit zee bestond. De klei bleek zeer geschikt voor het bakken van stenen en dakpannen. BewoningsgeschiedenisHet gebied dat we nu als Het Lankheet kennen heeft al een lange bewoningsgeschiedenis. Er zijn verschillende interessante vondsten gedaan op het landgoed van de periode tot 8000 v Chr. Tot omstreeks het jaar 800 bestond in deze streken de zogenaamde brandcultuur. Om grond geschikt te maken voor landbouw, werd een stuk bos of woeste grond in brand gestoken. Door de as werd het land bemest, waardoor het enige jaren geschikt was om landbouwgewassen op te verbouwen. Nadat het bouwland was uitgeput, stak men weer een volgend stuk bos of heideveld aan en bleef de verlaten akker braak liggen. In de tijd van Karel de Grote werd een nieuw systeem ingevoerd; het zogenaamde drieslagstelsel. Dit was een meer permanente vorm van landbouw. De akker werd in het eerste jaar ingezaaid met wintergraan, in het tweede jaar met zomergraan en in het derde jaar bleef de akker braak liggen. Aangezien er maar een beperkte hoeveelheid grond geschikt was voor akkerbouw, werden waar mogelijk aaneengesloten bouwlandcomplexen aangelegd, de zogenaamde essen. Waar ook dit niet mogelijk was vanwege het reliëf, legden boeren individueel akkerkampen of de zogenoemde eenmansessen aan. De meeste essen werden aangelegd langs de Buurserbeek. Sommige essen zijn tegenwoordig in gebruik als weiland, maar de meeste zijn nog steeds in gebruik als bouwland. In plaats van haver en rogge wordt er tegenwoordig maïs verbouwd. De boerderijen werden daar gebouwd waar men direct de beschikking had over water, brand- en gebruikshout, bouwmaterialen en natuurlijk geschikte grond voor akkerbouw en veeteelt. Ze lagen dus altijd in de buurt van de essen. Dit is goed te zien op de topografische kaart uit 1881. De erven Oud en Nieuw Lankheet liggen middenin oud naaldbos met ten oosten ervan een oude es. Waarschijnlijk is deze es in de vroege middeleeuwen al in gebruik geweest ten tijde van de toen in zwang zijnde brandcultuur. Er werd dan een stuk bos weggebrand om er een tijdelijk vruchtbare akker van te maken. Bij bodemboringen in een es zijn vaak nog houtskoolresten terug te vinden die hierop wijzen. Achter de essen lagen meestal de wei- en hooilanden. Nog verder weg lagen de veengronden en de heidevelden die gebruikt werden voor het steken van plaggen voor de potstalmest. Om de akkers blijvend te kunnen gebruiken moesten de van nature tamelijk onvruchtbare gronden namelijk goed bemest worden. Dit deed men met een mengsel van bosstrooisel, heideplaggen en uitwerpselen van het vee: de zogenaamde potstalmest. Door deze eeuwenlange bemesting hebben de essen vaak een dikke laag humus ontwikkeld. Aan de hand van de dikte van de laag weten wetenschappers de ouderdom van zo'n es te bepalen. Eén es op Het Lankheet behoort met z'n cultuurdek van maar liefst 120 cm tot de oudste in Twente. Wanneer de grond braak ligt valt heel goed te zien dat door eeuwenlange bemesting de akker een bolle vorm heeft gekregen. De es ligt duidelijk hoger dan de omgeving. De vruchtbaarheid van de wei- en hooilanden in de vochtige dalen van Buurserbeek en Berkel bleef op peil doordat bij het regelmatige overstromen van deze beken vruchtbaar slib werd afgezet. Om de vruchtbaarheid van deze gronden in stand te houden, werd er 'vanaf ongeveer de elfde eeuw zelfs een heel systeem van vloeiweiden ontwikkeld. De akkers werden beschermd tegen vee en andere dieren door het aanleggen van houtwallen en heggen. Daarnaast werden de akkers zo ook beschermd tegen de weersinvloeden, zoals het verstuiven van zand. Tot 1900 kende Twente hele netwerken van deze wallen. Na de uitvinding van prikkeldraad en de introductie van technieken om de bodem te conserveren, werden houtwallen en heggen in principe overbodig. Bij ruilverkavelingen werden ze dan ook op grote schaal opgeruimd. Omdat de ruilverkavelingen aan Het Lankheet voorbij zijn gegaan, is hier het oude cultuurlandschap bewaard gebleven. Zo vinden we op verschillende plaatsen nog houtwallen. Veelal staan op deze plaatsen nu majestueuze eiken. Dat deze eiken ooit een ondoordringbare heg hebben gevormd kunnen we zien aan de onderste stam van de bomen. Deze tonen aan de onderkant een verdikking die erop wijst dat de bomen eeuwenlang voor de productie van hakhout zijn gebruikt. Het hakhout diende twee doelen. Zoals de naam al zegt werden de bomen eens in de ongeveer zes jaar 'afgehakt'. Dat leverde mooi gebruikshout op. Door dit hakhoutbeheer kregen de bomen geen kans tot grote bomen uit te groeien, zoals we die nu in de meeste wallen vinden, maar bleef het een strakke ondoordringbare houtwal. Afgezette bomen groeien namelijk snel weer uit en vormen daarbij veel takken. Dit afzetten was echt een werkje dat in de winter werd gedaan. Tegen de tijd dat het vee weer van stal ging, was de haag alweer aardig ondoordringbaar. Lees hier verder over het Lankheet. (Bron: Lankgoed Lankheet, een uitgave van Overijssels Particulier Grondbezit 1999, verkrijgbaar bij de VVV; bewerkt door IVN Haaksbergen) |
|
|