Het Buurserzand (2): De Heide
De heide is anders dan de meeste mensen denken volledig door toedoen van de mens ontstaan. De heide is een door de mens gemaakt landschap en wat de mens maakt zal hij ook zelf moeten onderhouden.
Geschiedenis van de heide
Uit bodemonderzoek is bekend dat na de laatste ijstijd ongeveer 1500 jaar voor Chr. de bodem op de plekken waar het droog was, bedekt was met bomen als de berk, de grove den, de eik, de hazelaar enz
In die tijd kwamen ook de eerste nomaden: rondtrekkende landbouwers in onze streken. Zij beschikten niet over adequaat gereedschap. En dan is een eenvoudige en effectieve methode om vruchtbare landbouwgrond te krijgen het bos in de brand te steken. We noemen dat een brandcultuur.
Na een brand is de aarde door de as een beperkte tijd goed vruchtbaar maar na twee, maximaal 3 jaar is het voorbij en moest worden omgezien naar een nieuw stuk gebied.
Er bleef dus een kale, uitgeputte en voedselarme grond achter. En dit is toevallig een ideale omstandigheid voor het heideplantje, want de Erica soorten hebben een voedselarme grond nodig met veel licht.
In de loop van de volgende eeuwen ging de ontbossing versneld door, omdat de bevolking groeide en omdat er bijv in de ijzertijd veel brandstof nodig was om het erts te smelten.
Door de in de landbouw nog steeds toegepaste brandcultuur ontstonden dus steeds meer heide velden en daar waar de grond volledig uitgeput was ook stuifzanden zoals op de Veluwe.
Na de ineenstorting van het Romeinse Rijk volgde een volksverhuizing waarbij onze streken bijna ontvolkt raakten. Er ontstond binnen 300 jaar weer een landschap als 1500 jaar voor het begin van de jaartelling nl. bos.
De huidige heidevelden zijn dan ook ontstaan rond het jaar 900. Dat blijkt uit pollenonderzoek. De bevolking gebruikte in die tijd nog steeds de brandcultuur en er ontstonden wederom heide velden. Rond die tijd ontdekte men echter ook dat dierlijke mest waarde had om de bodemstructuur en de vruchtbaarheid te verbeteren.
De mest werd verkregen door het houden van schapen. Deze graasden overdag op de heide en gingen 's nachts in de potstal. In de stal kwam de meeste mest terecht; om de schapen droog te laten staan werden er laag op laag heideplaggen ingebracht. De mest werd opgepot en aan het einde van de winter stonden de schapen met de kop tegen het dak. In het vroege voorjaar werd de stal leeggeruimd en werd de mest over de akkers uitgespreid. De akkers werden door deze methode ongeveer 10 cm per 100 jaar opgehoogd; we noemen die opgehoogde akkers essen en er zijn essen die wel een meter boven de omliggende grond uitsteken. Een mooi voorbeeld daarvan is nog het essenlandschap bij de Klaashuisstraat, net voor de Buurserbeek, waar de schapenstal stond van de marke Hones.
Twentse coulisselandschap
Akkers werden aangelegd door de boomopslag te verwijderen en de stobben aan de kant te leggen. Deze boomstronken liepen daar weer uit en mede daardoor zijn de houtwallen ontstaan. Houtwallen zijn kenmerkend voor het Twentse coulisselandschap. Die houtwallen hadden een belangrijke functie, want door een houtwal te voorzien van meidoorn en sleedoorn werden ze ondoordringbaar en geschikt om vee op te laten grazen zonder toezicht. Met de uitvinding van het prikkeldraad zijn de houtwallen dan ook grotendeels weer gesloopt.
Het heide gebied werd groter en groter omdat voor 1 ha akker ongeveer 10 ha heidegrond nodig was. Door het begrazen en plaggen bleef de heide in perfecte conditie: de bovenste voedselrijke laag werd iedere keer door het plaggen verwijderd en door het begrazen werd er geen boom ouder dan een jaar.
Zoals gezegd: een voorwaarde voor heide is een voedselarme grond met veel licht.
Als er echter te intensief werd geplagd dan kwam er ook geen heide meer op en ontstonden er stuifzanden en kwam ook de jeneverbes in zicht.
De Marken hadden ook als taak om het gebruik van de heidevelden te reguleren.
Onze voorouders gebruikten hun gehele omgeving om te overleven: de heide en de schapen op de heide werden voor vele doelen gebruikt, denkt u maar aan:
 | plaggen werden gebruikt als brandstof, |
 | plaggen werden gebruikt als dakbedekking en in lemen wanden werden heidestengels verwerkt. |
 | jonge hei was veevoer voor koeien, |
 | uit heide kwam de kleurstof rood, |
 | het maken van bezems, (de Latijnse naam van struikheide is Calluna vulgaris. De naam Calluna komt van het Griekse "hallunein" = reinigen), |
 | in de heide werden bijen gehouden met honing als gevolg |
 | hei was een smaakmaker bij de bereiding van bier, |
 | het wol van de schapen voor kleding was heel belangrijk. |
Kunstmest
Rond 1880 veranderde de landbouw drastisch: er kwam kunstmest beschikbaar (o.a het zgn. chilisalpeter uit Zuid-Amerika) en er kwam goedkope wol uit Australië waardoor de schapenhouderij bijna op de fles ging. Het heidelandbouwsysteem werd door de kunstmest uitgeschakeld. En men besloot de heide te ontginnen..
Rond 1888 werd de Nederlandse Heidemij en in 1899 Staatsbosbeheer opgericht. Aan de naam Heidemij zou je nu denken ter bescherming van de hei, maar bij de Heidemij was ontginning de bedoeling.
Staatsbosbeheer ging de stuifzanden te lijf door er dennen op te planten en zo ontstonden er grote akkers en veel bossen en ging de heide verloren. In 1850 was er nog 600.000 ha hei, in 1938 nog maar een kwart daarvan en nu nog 40.000 ha = 4x de oppervlakte gemeente Haaksbergen.
De meeste heidevelden zijn nu beschermde natuurgebieden.
Lees hier verder over de beheersmaatregelen.
Tekst: Lia en Han van Hagen, IVN Haaksbergen