Monnikenwerk in Engbertsdijksvenen (1)
Tussen Vriezenveen en Kloosterhaar ligt het Staatsnatuurmonument Engbertsdijksvenen, een grotendeels vergraven hoogveengebied van bijna 1000 hectare. 'Grotendeels vergraven' moet u daarbij letterlijk nemen: nog geen 15 hectare is in de nagenoeg oorspronkelijke staat gebleven - daar zit nog zo'n 7 meter dik veenpakket.
Al in de 15e eeuw begonnen de monniken van Sibculo veen af te graven voor eigen gebruik. Later gebeurde dat veel grootschaliger. Vanaf 1953 is Staatsbosbeheer hier bezig om de natuur weer zoveel mogelijk te laten herstellen. Wederom een monnikenwerk.

Tienduizend jaar
Hoogveen groeit aan met de 'snelheid' van ongeveer een halve millimeter per jaar. Dus voordat er sprake was van veenlagen, dik genoeg om er turf van te steken, zijn er eeuwen en eeuwen voorbijgegaan. Het verhaal over het hoogveen begint dan ook meer dan tienduizend jaar geleden. Het na de IJstijd smeltende water liet een zéér grillig landschap achter met 'bulten en gaten'. In de laagtes vormde regenwater meertjes, die langzaam aan dichtgroeiden met waterplanten. De afgestorven plantenresten hoopten zich op tot (laag) veenlagen, die op een gegeven moment zelfs zo dik werden dat de bovenste plantenlaag niet meer bij het - voedselrijke - grondwater kon komen. Toen werd het tijd voor heel speciale plantensoorten die alleen van de lucht - en regenwater - konden leven. De echte hoogveenvormers veenmossen.
Veenmossen
Veenmos is zo'n bewonderingswaardig plantje. Het groeit aan de bovenkant aan en sterft aan de onderkant af. Het heeft eigenlijk geen wortels en het kan in z'n bladeren en stengels 10 tot 40 maal zijn eigen gewicht aan water vasthouden. Doordat de plantjes bovendien in dichte kussens groeien, wordt dat watervasthoudend vermogen nog eens extra versterkt. Zo ontstaat als het ware een enorme levende spons. Het afstervende veenmos verteert slecht in het zure en zuurstofarme regenwater en hoopt zich dus op. Aan de bovenkant groeit deze laag echter rustig verder, zodat - en dan praten we dus over vele eeuwen - deze hoogveenspons uiteindelijk meters boven het oorspronkelijke grondwaterpeil uitkomt.
In het veen kijkt men niet op een turfje
De monniken van Sibculo begonnen in de Middeleeuwen op bescheiden schaal, voornamelijk voor eigen gebruik, turf te steken als brandstof. In de loop van de 17e eeuw werd de turfwinning echter veel grootser aangepakt. Turf werd een algemeen gewaardeerde energiebron zowel in het huishouden als in fabrieken. Turfwinning werd een bedrijfstak. Om het professioneel te kunnen aanpakken werd er een ingewikkeld netwerk van vaarten en wijken gegraven én om het veen droog te krijgen en dus beter verwerkbaar én om het product - de turf - eenvoudig per schip naar de grote afnemers te kunnen vervoeren: de steden en fabrieken.
Dalgronden
Dat heeft in de Engbertsdijksvenen zelfs geduurd tot 1983, al werd het veen toen alleen nog maar gebruikt voor potgrond of tuinaarde.
Het merendeel van de voormalige hoogveengebieden werd daarna geschikt gemaakt voor de landbouw. Deze zogenaamde dalgronden zijn, mits goed ontwaterd, heel geschikt voor de landbouw; de fabrieksaardappelen waren jaren lang een bekend product uit deze streek. Het resultaat was al met al dat oorspronkelijk - levend - hoogveen, met z'n geheel eigen en wel heel bijzondere planten en dieren, ver te zoeken was.
Lees hier verder.
Deze tekst kwam tot stand in samenwerking met