|
| | De Sallandse Heuvelrug (3)Na het landijs: Spoelzandwaaiers, puinwaaiers en smeltwaterdalenTijdens het afsmelten van het ijs aan het einde van de Saale-ijstijd spoelden grote hoeveelheden smeltwater langs de hellingen van de stuwwallen naar beneden. Op hun weg omlaag namen deze waterstromen aanzienlijke hoeveelheden zand mee. Dit zand werd afgezet aan de voet van de helling en vormde daar brede waaiers. Dergelijke spoelzandwaaiers uit de Saale-ijstijd worden in geologische kringen ook wel met de Scandinavische naam sandr aangeduid. GelifluctieIn de laatste ijstijd, de Weichsel-ijstijd, lag in Salland weliswaar geen landijs, maar er heerste wel een toendraklimaat. De ondergrond was in die tijd tot op grote diepte bevroren. In het voorjaar ontdooide alleen de bovengrond. Er ontstond dan een papperige massa. Op de hellingen van de stuwwallen kon deze bovenlaag gemakkelijk naar beneden schuiven. In de geologie wordt dit proces gelifluctie genoemd. Omdat dooiwater niet naar de bevroren ondergrond kon zakken, spoelde het vrijwel uitsluitend over het oppervlak weg. Hierbij nam het veel zand mee naar beneden. Onderaan de helling van de stuwwallen ontwikkelde zich zo een metersdikke puinwaaier, vooral bij de uitmonding van dalen in de stuwwal. Deze puinwaaier bestaat zowel uit zand dat door stromend dooiwater is afgezet, als uit van de helling afgeschoven zand en door de wind afgezet dekzand. Smeltwaterdal op de Haarlerberg |  |
SmeltwaterdalenHet smeltwater sleet in de Weichsel-ijstijd diepe dalen uit in de flanken van de stuwwallen. Deze dalen noemen we dan ook smeltwaterdalen. De grootste en diepste hebben namen die op -slenk eindigen. Voorbeelden zijn de Wolfsslenk, Twilhaarslenk en Rietslenk. Sommige dalen hebben ook een dal-naam. Veel dalen zijn in hun doorsnede asymmetrisch van vorm, omdat de bovengrond van de dalhellingen die op het zuiden waren gericht in het voorjaar veel eerder opdroogden dan de weinig zonnige hellingen op het noorden. De hellingen op het noorden bleven hierdoor nat en papperig. De bovengrond zakte daarom in de loop van de eeuwen veel meer uit dan op de drogere zuidhellingen. Noordhellingen zijn hierdoor veel minder steil dan zuidhellingen. Omdat de smeltwaterdalen na hun vorming nauwelijks meer afstromend water te verwerken kregen, liggen ze nu al honderden eeuwen lang droog. Ze worden daarom ook wel droge dalen genoemd. Theo Spek Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek Afdeling Landschap & Erfgoed Postbus 1600 3800 BP Amersfoort tel. 033 - 4227595 e-mail t.spek@archis.nl 
| |
|