Het rivierenlandschap van de IJssel (7)
Oeverwallen
Wanneer een rivier door hoge waterstand buiten zijn oevers treedt, wordt de stroomsnelheid sterk geremd door de daar voorkomende vegetatie. Hierdoor zinkt het meegevoerde zand al snel naar de bodem. Dichtbij de rivier vormen zich na verloop van tijd lage ruggen van kalkhoudende zavel of lichte klei. Deze ruggen noemen we oeverwallen. Een stroomgordel of stroomrug is een veel ruimer begrip. Hiermee wordt het geheel van twee oeverwallen ter weerszijden van een rivier, alsmede de uiterwaarden en rivierbedding bedoeld.
In Salland ligt direct ten oosten van de IJssel een langgerekte, gesloten oeverwal. Deze loopt van de Olster Enk tot Harculo. Bij Oldeneel, Schelle en Zwolle ligt een lage oeverwal die bij een dijkdoorbraak in 1573 met overslagzand werd bedekt. Later werd de onder het zand liggende klei op veel plaatsen opgespit en vermengd met het overslagzand.
Rivierduincomplex
Tussen Deventer en de zuidpunt van de Olster Enk ligt geen duidelijke oeverwal. Hier, bij Rande en Borgele, grenst de rivier direct aan het zandlandschap. Vermoedelijk gaat het hier om een rivierduincomplex uit het Preboreaal, dat later is verstoven en vergraven. De Sallandse oeverwal is vrijwel overal 500-1000 meter breed en de hoogste koppen steken ongeveer 1-1½ m boven het normale zomerpeil van de IJssel uit. Bij Olst liggen de hoogste plekken van de oeverwal op 5 m +NAP, bij Harculo op ca 2 m +NAP. De bodemopbouw van de oeverwallen is niet overal gelijk. Een oeverwal groeit in de loop van zijn ontstaan in de hoogte en in de breedte. Bij het hoger worden van de oeverwal wordt het voor de rivier steeds moeilijker om nog zandig materiaal af te zetten. Hierdoor neemt in een stroomruggrond de korrelgrootte naar boven toe af, dit wil zeggen dat de bovengrond vaak kleiiger ('zwaarder') is dan de ondergrond.
De hoogste koppen van de Sallandse oeverwallen hebben meestal een fijnzandige bodem. Het is niet altijd duidelijk of deze koppen door de wind of door rivierafzetting zijn ontstaan. De meeste hadden in het verleden een naam die eindigde op -berg. Voorbeelden zijn de Opberg, Schaesberg en Horzelenberg ten noorden van Wijhe, en de Zwakenberg en Rankenberg bij Wengelo. Illustratief is verder ook de naam Zurinkbelten bij Harculo.
Aantrekkelijke woonplaatsen
De hooggelegen, vruchtbare oeverwallen waren voor de mens aantrekkelijke woonplaatsen. Bovendien zijn de stroomruggronden geschikt voor akkerbouw. In de Middeleeuwen werden op de Sallandse oeverwallen dan ook talrijke boerderijen, nederzettingen en bouwlanden (enken) aangelegd. We weten niet in hoeverre de vorming van de oeverwallen, die nog tot in de Hoge Middeleeuwen is doorgegaan, deze menselijke activiteiten heeft beïnvloed. Sommige hogere oeverwallen zijn misschien al in de onbedijkte periode in gebruik genomen. Het merendeel van de ontginningen en boerderijen zal evenwel uit de Hoge Middeleeuwen of latere perioden stammen.
De lagere gedeelten van de oeverwallen werden in veel gevallen als grasland in gebruik genomen.
Theo Spek
Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek
Afdeling Landschap & Erfgoed
Postbus 1600
3800 BP Amersfoort
tel. 033 - 4227595
e-mail t.spek@archis.nl
