Het rivierenlandschap van de IJssel (2)
Vlechtende rivieren, meanderende rivieren en rivierduinen
Ongeveer 120.000 geleden kwam er een eind aan de warme tijden en verslechterde het klimaat aanzienlijk. De Weichsel-ijstijd was in aantocht. De bossen maakten plaats voor een open subarctisch toendralandschap. De ijskappen in het noorden groeiden aan, de zeespiegel zakte en de rivieren gingen wat sneller stromen. De open vlakten waren heel gevoelig voor wind- en watererosie. De rivieren kregen hierdoor veel meer zand en grind te verwerken. In het IJsseldal en in Salland vinden we dit zand en grind nog op veel plaatsen in de ondergrond. Na verloop van tijd stroomde de Rijn steeds meer door de hoofdtak ten zuiden van Arnhem en Oosterbeek, en kreeg de IJsseltak minder water te verwerken. Uiteindelijk kwam de IJssel zelfs geheel los te liggen van de Rijn en vormde een zelfstandige rivier die werd gevoed door onder meer de Oude IJssel en een voorganger van de Berkel. Aan het eind van de Weichsel-ijstijd had deze rivier tussen de Veluwe en de Sallandse heuvelrug veel zand- en grindbanken met tussenliggende stroomgeulen. Een aantal van deze zandbanken verstoof ook. Hierdoor ontstonden aan de oostkant van veel stroomgeulen rivierduinen, onder meer bij Windesheim, Westenholte, IJsselmuiden, Herxen en Wijhe. Niet alle duinen ontstonden overigens in het Pleistoceen. Een belangrijk deel is vermoedelijk pas in het vroege Holoceen gevormd, onder meer in het Preboreaal (9.000-8.000 v. Chr.).
Van een vlechtend naar een meanderend rivierpatroon
Na de Weichsel-ijstijd brak er een warme periode aan: het Holoceen. Dit duurt nog altijd voort. Ongeveer 10.000 jaar geleden maakte het koude toendraklimaat plaats voor een warmer zeeklimaat. De ijskappen smolten af en zorgden voor een sterke stijging van de zeespiegel. Het landschap raakte geleidelijk aan steeds meer begroeid, eerst met dennen- en berkenbossen, later met gemengde loofbossen van eik, linde, iep en els. Deze bossen zorgden ervoor dat er veel minder erosie optrad dan in de voorafgaande periode. Bovendien kwamen piekafvoeren minder vaak voor en waren ze ook minder groot. Deze veranderingen hadden tot gevolg dat de IJssel langzamerhand veranderde van een snel stromend, vlechtend rivierpatroon naar een veel rustiger, meanderend patroon. De rivier zette nauwelijks zand en grind af en veranderde steeds meer in een smalle, rustige stroom.
Theo Spek
Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek
Afdeling Landschap & Erfgoed
Postbus 1600
3800 BP Amersfoort
tel. 033 - 4227595
e-mail t.spek@archis.nl
