Het dekzandlandschap (7)
Dekzandplateau's
Grote delen van het Sallandse dekzandlandschap bestaan uit zwak golvende terreinen, waarin geen duidelijke ruggen en laagten te zien zijn. Vanwege hun hoge en vrij vlakke ligging zijn deze terreinen als dekzandplateaus aangemerkt. Ze liggen meestal vrij hoog in het landschap en vormen vaak de verbindingsgebieden tussen de dekzandlaagten met aangrenzende dekzandruggen.
De natuurlijke begroeiing van deze dekzandplateaus was een vochtig bos. In de loop van de geschiedenis maakte dit bos echter vrijwel overal plaats voor schrale vochtige heidevelden. Op topografische kaarten uit de vorige eeuw zien we grote oppervlakten aan heide.
Uitgestrekte heidevelden
In sommige gevallen waren dit uitgestrekte heidevelden van honderden hectaren groot, zoals bij de Rameler en Raalterwoolder heide, het Lemelerveld, de Hooge Wegen bij Okkenbroek en het Gooier veld ten noorden van Bathmen. Meestal waren het wat kleinere gebieden omringd door ontginningen van het cultuurlandschap. De meeste heidevelden op de dekzandplateaus droegen in het verleden een naam die eindigde op -veld. Voorbeelden zijn het Ortelerveld, het Linderveld, het Ramelerveld, het Weseperveld en het Marktveld.
Hoewel de bodems over het algemeen vrij arm waren, werd een deel van de dekzandplateaus in de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd ontgonnen. Vaak waren dit kampontginningen aan de rand van de hei. De boerderijen lagen verspreid. De ontginningen kregen vaak namen met het bestanddeel kamp: Veldkampen, Schoonekamp, Nieuwenkamp. De bijbehorende nederzettingen, die vaak in een hoek van de marke ver van de oudere dorpen lagen, kregen veelal namen die eindigden op -hoek: Veldhoek, Koerkampshoek, Spekhoek, Dijkerhoek, Raarhoek, Alfrinkhoek.
Theo Spek
Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek
Afdeling Landschap & Erfgoed
Postbus 1600
3800 BP Amersfoort
tel. 033 - 4227595
e-mail t.spek@archis.nl
