Het dekzandlandschap (12)
Veranderingen in de waterhuishouding tijdens de Middeleeuwen
Vanaf de tweede helft van de 12de eeuw werden grote delen van het Sallandse dekzandlandschap ontgonnen. Op de hogere gronden legde de mens nederzettingen en akkers aan en liep de oppervlakte bos sterk terug door kappen, branden en vooral beweiding. De heidevelden, die voor een deel al uit de Bronstijd en IJzertijd stamden, werden sterk uitgebreid. Waar tevoren een belangrijk deel van de agrarische economie gericht was op gebruik van het bos, kwam vanaf de Late Middeleeuwen de plaggenlandbouw in zwang, waarbij de heidevelden werden afgeplagd en beweid met grote hoeveelheden schapen.
Veehouderij
Het moerasbos op de lagere gronden in de dekzandlaagten werd in de loop van de Middeleeuwen voor een flink deel ontgonnen tot hooi- en weiland ten dienste van de veehouderij. In eerste instantie zullen deze graslanden ongeperceleerd zijn geweest en alleen van een aantal afwateringssloten zijn voorzien. Het gebruik van deze groenlanden was in die tijd vermoedelijk nog gemeenschappelijk, vergelijkbaar met de situatie in Drenthe. Pas in later tijd ontstond een meer gestructureerde verkaveling en werden de hooi- en weilandpercelen privaatrechtelijk beheerd.
De overgang van een bebost natuurlandschap in de Vroege Middeleeuwen naar een open cultuurlandschap in de Late Middeleeuwen had belangrijke gevolgen voor de waterhuishouding. Hiervoor zagen we dat bossen grote hoeveelheden water verbruikten. Toen de bossen verdwenen, voegde dit water zich bij het grondwater. Het wegvallen van de bosmassieven die als buffer gediend hadden, veroorzaakte daardoor een sterke stijging van het aantal en de hoogte van de piekafvoeren naar de dekzandlaagten. Deze laagten zullen dus nog meer dan daarvoor al het geval was, langdurig onder water hebben gestaan. Bovendien leidde het kappen van de moerasbossen in de laagten en het aanleggen van weteringen tot een veel snellere afvoer van het oppervlaktewater dan vroeger. Al deze zaken hadden tot gevolg dat de IJssel in het voorjaar veel meer water te verwerken kreeg.
Weteringen
Gedwongen door de toename van de wateroverlast in de dekzandlaagten - vooral overstromingen in het late voorjaar waren schadelijk - hebben de inwoners van Salland zich vanaf de tweede helft van de 12e eeuw bezig gehouden met het verbeteren van het afwateringsstelsel. Daarbij groef men in de laagten een groot aantal weteringen. In de meeste gevallen liggen deze weteringen in de laagste gedeelten van de dekzandlaagten. Hier en daar doorsneed men ook dekzandruggen om een zo kort mogelijk tracé te verkrijgen. Toch konden de weteringen niet voorkomen dat in de afgelopen eeuwen de dekzandlaagten in najaar, winter en voorjaar nog vaak blank stonden. Aan de westkant van het dekzandgebied krijgt men een enkele keer de indruk dat gebruik werd gemaakt van een natuurlijke waterloop. Zo lijkt de Soestwetering ten noorden van Linde, ten oosten van Olst en in de omgeving van Windesheim over korte afstand in noordwestelijke richting een natuurlijke geul te volgen.
Badkuip
Het aanleggen van een stelsel van weteringen had, zoals we al zeiden, een snellere waterafvoer tot gevolg. Op veel plaatsen werd als het ware de stop uit een badkuip getrokken. De grondwaterstanden in de dalvormige laagten en de flanken hiervan zullen hierdoor op veel plaatsen duidelijk zijn gedaald. Inundaties zullen na de hoogmiddeleeuwse ontginningsperiode minder vaak en minder lang zijn voorgekomen dan daarvoor. Dit begunstigde weer het verloop van de ontginning en het gebruik als grasland.
Nadat het afwateringssysteem vele eeuwen lang op deze wijze had gewerkt, vertoonde de natuur aan het eind van de vorige eeuw en het begin van deze eeuw een laatste stuiptrekking. Na de uitvinding van de kunstmest werden de arme heidevelden van Salland op grote schaal ontgonnen.
Versnelde afvoer
Het graven van talrijke sloten en greppels veroorzaakte een versnelde afvoer van grondwater dat tot die tijd opgeslagen was geweest in de bovengrond van de natte heidevelden. Hierdoor nam zowel het aantal als ook de hoogte van de piekafvoeren naar de laagten toe. De duchtige wateroverlast in de Sallandse laagten, waarover vele bronnen uit die tijd spreken, zal hierdoor veroorzaakt zijn. Gelukkig duurde deze toestand niet lang: van omstreeks 1880 tot aan de jaren dertig. Vóór 1880 zullen de Sallandse dekzandlaagten weliswaar vaak geïnundeerd zijn geweest, maar dit was minder extreem dan in de jaren 1880-1930.
Ook de waterhuishouding op de komgronden van westelijk Salland zal door bovengenoemde veranderingen beïnvloed zijn. Deze komgronden werden in de loop van de eeuwen steeds natter. Aan die toestand kwam pas een einde door de grootschalige verbeteringswerken die hier omstreeks 1970 zijn uitgevoerd.
Theo Spek
Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek
Afdeling Landschap & Erfgoed
Postbus 1600
3800 BP Amersfoort
tel. 033 - 4227595
e-mail t.spek@archis.nl
