De Kop van
Overijssel: De Weerribben en de Wieden
Een markant en uniek landschap in het noordelijkste deel van Overijssel
De Weerribben
en de Wieden zijn samen aangewezen als een Belvedere-gebied. In een
Belvedere-gebied wordt de cultuurhistorie als inspiratiebron gebruikt bij de
ruimtelijke inrichting. Nieuwe ontwikkelingen worden toegejuicht, mits ze
bijdragen aan het behoud van het erfgoed. Deze nieuwe denk- en werkwijze wordt
ook wel 'behoud door ontwikkeling' genoemd. Een belangrijke aanvulling op de
traditionele strategie van 'behoud door bescherming'. In de Belvedere-Nota staat
het begrip cultuurhistorische identiteit centraal. Een allesomvattend begrip.
Wat zou dat dan zijn voor deze gebieden? De beste manier om daar achter te komen
is er een paar dagen naar toe gaan. Fietsen, wandelen en in dit geval natuurlijk
ook varen, varen in een fluisterboot vanzelfsprekend.
De
Wieden en de Weerribben kennen hun gelijke niet in Nederland. Samen vormen ze
het grootste aaneengesloten moerasgebied van West-Europa. Het zijn, zonder
overdrijving, natuurgebieden van Europees formaat. Echter, het zijn allebei door
de mens gemaakte natuurgebieden. Ze zijn het resultaat van een eeuwenlange
ontginningsgeschiedenis. Een geschiedenis van turfgravers, veeboeren en
rietsnijders.
Als hoofdredacteur
van de internetsite Natuurlijk…. Overijssel! kom ik vaak, en graag, in de Kop
van Overijssel. Om foto's te maken, om wandel- en fietsroutes te beschrijven,
maar zeker ook om gewoon te genieten. Niet in de zomer, dan is het mij er te
druk.
Maak in de herfst
eens een stevige
wandeling in de Weerribben. Geniet van de herfstkleuren, de paarse pluimen
van het wuivend riet. Of bezoek in het vroege voorjaar de Wieden. Het riet is
net gemaaid. Vanaf het bezoekerscentrum De Wieden heb je een grandioos uitzicht
over de Beulakerwijde.
Het gebied heeft een rijke geschiedenis. Een typisch Nederlandse geschiedenis.
Een verhaal van water en veen. Van het geploeter van de bewoners om een karige
boterham te verdienen. Van het bedenken van oplossingen op steeds weer nieuwe
problemen. Het gevolg: een markant en uniek landschap in het noordelijkste deel
van Overijssel.
Een
tip: overnacht een paar dagen in een vervenershuisje
van Staatsbosbeheer. Staatsbosbeheer heeft enkele van deze authentieke
vervenershuisjes gerestaureerd. Via de Stichting Stevast zijn ze te huur.
Je wordt enkele eeuwen terug in de tijd geplaatst, met behoud van comfort, dat
spreekt. Maar toch, je merkt dan pas hoe klein zo'n huisje is. En slapen in een
bedstee blijft een belevenis! De vervenershuisjes van Staatsbosbeheer liggen aan
de Hogeweg, midden in de Weerribben. Vanaf hier kun je met de fiets of wandelend
uitstekend de Weerribben verkennen. Een routesuggestie van zo'n 15 km: volg de
Hogeweg naar het bezoekerscentrum van Staatsbosbeheer. Dan via Blokzijl langs de
Kalenbergracht naar Kalenberg en dan tenslotte via het Kalenbergervoetpad terug
naar de Hogeweg. Onderweg krijg je een goed beeld van de Weerribben.
Het Natuuractiviteitencentrum
ligt direct ten zuidoosten van Ossenzijl. In het centrum is o.a. een authentiek
vervenershuisje herbouwd. Slik, dat is toch even anders. Het huisje is veel
kleiner en lager dan de huisjes aan de Hogeweg. Alleen de voorgevel is van
baksteen. De andere wanden zijn van hout. Dit kon ook niet anders: baksteen zou
te zwaar zijn voor de zachte veengrond waarop de huisjes stonden. Maar het meest
opvallende verschil is dat het woongedeelte slechts de helft van het huisje is.
Het achterste gedeelte was de stal. Logisch, maar je vond het gehuurde huisje al
zo klein….
Bij het bezoekerscentrum is een Natuurpad
aangelegd. De totale wandeling is ongeveer 4 km. Je kunt de route inkorten
door een kleinere lus te lopen. De beide mogelijkheden staan onderweg goed
aangegeven.
De Weerribben en de Wieden zijn de streek van water en riet. Het landschap is
ontstaan door het afgraven van veen. De ribben zijn de smalle stroken land
waarop het veen te drogen werd gelegd, de legakkers. De weren zijn de
uitgeveende delen. Deze smalle stroken water worden ook wel pet- of trekgaten
genoemd.
Water gaat na
verloop van tijd verlanden. Het groeit dicht met riet- en waterplanten en er
ontstaat weer nieuw land. Tijdens deze wandeling langs het natuurpad kom je de
verschillende verlandingsstadia tegen: open water, riet- en hooiland en
moerasbos.
De weren of
petgaten groeien geleidelijk dicht. Na verloop van tijd kun je erop lopen.
Hoewel: de (drijvende) grond onder je voeten golft griezelig en trilt. Het water
is veranderd in een "trilveen" of in een "kragge". De bodem
van trilveen wordt steeds steviger en er gaan struiken en bomen groeien, vooral
wilg, els en berk. Als de natuur zijn gang kan gaan, ontstaat er, op de plaats
waar eerst water was, uiteindelijk een moerasbos.
Door naar
Ossenzijl. In de Haven van Ossenzijl werd de turf in grotere boten overgeladen
en via de Linde naar het westen van ons land vervoerd. Ossenzijl ontstond in de
16e eeuw bij een houten sluis, een zijl. De sluis werd aangelegd door de familie
Osse. Pas in de 19e eeuw werd de sluis vervangen door een stenen exemplaar.
Helaas is ook deze sluis in de vorige eeuw gesloopt.
Via de
Kalenbergergracht naar Kalenberg. In de tijd van de grote vervening is deze
gracht gegraven. Kalenberg is het centrum van de Nederlandse rietcultuur. Het is
zelfs een merknaam geworden: Kalenberger Riet. De turfwinning was tot rond 1920
de belangrijkste bron van inkomsten. Daarna begon het bruikbare veen op te
raken. Geleidelijk werd overgegaan op de rietteelt.
In het centrum van
Kalenberg ga je via het voetpad terug naar de Hogeweg. Je komt dan langs de
Kloosterkooi. De Kloosterkooi is één van de zeven nog geregistreerde
eendenkooien in de Kop van Overijssel. De kooi werd in 1902 door Hendrik ten
Klooster gebouwd. De kooi is 18 hectare groot en heeft nu zes vangpijpen.
Vroeger zijn dit er zelfs elf geweest. In 1986 is de kooi helemaal
gerestaureerd. In de Kloosterkooi worden regelmatig demonstraties gehouden.
Terug
bij de Hogeweg zie je vlak bij elkaar twee molens. Een tjasker en de
spinnekopmolen De Wicher. Molens horen thuis in de Weerribben. Met behulp van
eenvoudige houten molentjes, de tjaskers, werd al vanaf de Middeleeuwen
geprobeerd de veenputten droog te malen. Het klinkt misschien vreemd, maar nu is
er te weinig water in de Weerribben. De ontwatering van de omliggende
landbouwgronden zorgt voor een lagere grondwaterstand in de Weerribben. De
rietlanden verlanden hierdoor te snel en in het riet groeien teveel andere
planten. Vanzelfsprekend komt dit de kwaliteit van het riet niet ten goede. De
stalen windmolentjes die je overal in de Weerribben tegenkomt, zijn er dan ook
voor om de rietlanden juist weer nat te houden.
De
ontginningsgeschiedenis van De Wieden is dezelfde als de Weerribben. Met een
belangrijk verschil: in De Wieden werden de legakkers te smal gemaakt. Logisch,
de verveners wilden zoveel mogelijk turf winnen. Door de kracht van het water
sloegen de legakkers weg. Uiteindelijk ontstonden grote meren zoals de
Beulakerwijde en de Belterwijde. Wijde spreek je uit als wiede. Vandaar de naam
van het gebied: De Wieden. Het veen in de Weerribben kwam later aan snee.
Hierbij werd beter gecontroleerd op de minimale breedte van de legakkers.
Een verkenning van
De Wieden begint in Sint Jansklooster. Het korte
natuurpad bij het bezoekerscentrum van Natuurmonumenten laat je in een
notendop de belangrijkste kenmerken van De Wieden zien. Het pad slingert door de
rietlanden naar de oever van de Beulakerwijde. Dwars door het moeras dus. Maar
wees gerust. Je loopt over houten vlonders. Via kleine bruggetjes steek je de
uitgeveende trekgaten over.
Het bekendste dorp
van De Wieden is natuurlijk Giethoorn. Het langgerekte dorp is ontstaan door het
samengroeien van drie afzonderlijke buurten: Noordeinde, Middenbuurt en
Zuideinde.
Het dorp Giethoorn is enkele keren verplaatst. Door ontwatering klinkt veen in.
De grond werd te drassig en de bewoners waren gedwongen hun huizen te
verplaatsen. Een ander gevolg was dat akkerbouw op deze drassige gronden niet
meer mogelijk was. Door de overstap naar veeteelt hadden de boeren voor de
opslag van hooi grotere schuren nodig. De ruimte was beperkt. Ze kozen voor een
eigenlijk heel simpele oplossing: Het dak van de schuur werd verhoogd. Vanaf het
woonhuis werd de nok schuin omhoog doorgetrokken. De voor deze omgeving zo
typerende "kameelruggen" waren het resultaat.
Kies,
om de Wieden te verkennen, voor een kuierroute.
Kuieren heeft in Overijssel een dubbele betekenis, namelijk wandelen en praten.
Een kuierroute is een flinke wandeling van zo'n 25 kilometer met in de meeste
gevallen een mogelijkheid om de route in te korten. De kuierroutes zijn
beschreven in compacte gidsjes die o.a. verkrijgbaar zijn bij het VVV. Een
uitgebreide toelichting en de gedetailleerde topografische kaart achter in het
routeboekje wijzen u de weg. De kuierroute start in Giethoorn en leidt u langs
de Bovenwijde en de Beulakerwijde uiteindelijk naar Dwarsgracht en Jonen.
Dwarsgracht en
Jonen waren tot voor enkele decennia alleen via het water en een smal fietspad
te bereiken. Ook hier net als in Giethoorn, grachten en bruggetjes, maar het
verschil is dat de nederzettingen lang niet zo overspoeld worden door toeristen
als Giethoorn.
Genoeg te zien dus in een paar dagen. Tijd te kort om Vollenhove te bezoeken om
de resten van kasteel De Toutenburgh te bekijken. Of de haven van Blokzijl te
bekijken met zijn 17e eeuwse koopmanswoningen. In de Kop van Overijssel is nog
veel meer van de rijke cultuurhistorie te beleven. Veel meer dan in het bestek
van dit artikel vermeld kan worden. Er zit dus niets anders op dan er zelf er
naar toe te gaan…..
Math Berkers
Dit artikel is geschreven voor het tijdschrift Heemschut,
zie het decembernummer van 2002
